“Om de waarde te bepalen moet men de inhoud kennen”



In overleg met de fiscus?

Als ondernemer zal veel van het contact wat u met de fiscus heeft via uw accountant ofombudsman belastingadviseur lopen. In bepaalde gevallen kunt u, los van datgene wat in de Nederlandse Belastingwetgeving staat, nadere afspraken met de belastingdienst maken. Hiermee zou een juridisch geschil met de fiscus kunnen worden voorkomen. Het een en ander wordt dan geregeld in een vaststellingsovereenkomst. Hiermee is het mogelijk om als burger te onderhandelen en te
schikken met de overheid. Dit zou bijvoorbeeld kunnen wanneer u bij verkoop van een bedrijf een fiscale herinvesteringreserve heeft. U heeft dan de plicht deze reserve, onder bepaalde voorwaarden, te herinvesteren.
Deze voorwaarden bieden soms ruimte tot discussie met de fiscus. Soms lopen deze onderhandelingen en besprekingen echter anders dan gewenst. Onderstaand artikel verheldert de positie die de onderneming of vennootschap(pen) bij de fiscus kan hebben en wat de rol van De Nationale ombudsman kan zijn.

De Nationale ombudsman heeft onlangs een klacht beoordeeld over de belastingdienst bij het treffen van een vaststellingsovereenkomst. De situatie betrof een groep van vennootschappen met een fors bedrag aan deels vervallen herinvesteringreserves. Het concern had al ten minste twee jaar met de belastingdienst onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst, waarbij het concern enkele malen uitstel had gekregen voor het geven van reacties. Op een gegeven moment was kennelijk het geduld aan de zijde van de belastingdienst zodanig opgeraakt, dat de belastingdienst het concern een ‘take it or leave it’ vaststellingsovereenkomst voorschotelde. Als het concern ook maar een komma aan de tekst van de vaststellingsovereenkomst zou willen veranderen, zou de belastingdienst dat als een afwijzing van de vaststellingsovereenkomst opvatten en autonoom overgaan tot de afhandeling van de fiscale zaken.
 
Op het moment dat de belastingdienst het concern de ‘take it or leave it’-vaststellingsovereenkomst toezond, bestond over enkele zaken in de vaststellingsovereenkomst nog onduidelijkheid. Het betrof onder meer de kring van de vennootschappen waarop de vaststellingsovereenkomst betrekking zou hebben. Bovendien bevatte de ‘take it or leave it’-versie een voor het concern nadelig nieuwigheidje ten opzichte van de eerdere concept-vaststellingsovereenkomst. Het concern diende daarop een klacht in bij de Nationale ombudsman.
 
De ombudsman had er begrip voor dat de belastingdienst de al twee jaar durende onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst wenste af te sluiten. Echter het geforceerd doordrukken van de door de belastingdienst zelf opgestelde vaststellingsovereenkomst was onder de gegeven omstandigheden niet gepast.
 
De ombudsman stelde voorop dat een vaststellingsovereenkomst een civielrechtelijke overeenkomst tussen gelijkwaardige partijen is, waarbij voor de totstandkoming van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst is vereist en dat er wilsovereenstemming bestaat tussen partijen. Dat houdt in dat partijen het eens zijn over de rechten en verplichtingen die voor elk van hen uit de te sluiten overeenkomst voortvloeien. Met het geforceerd willen doordrukken van de vaststellingsovereenkomst ging de belastingdienst er, naar het oordeel van de ombudsman, te gemakkelijk vanuit dat ondertekening daarvan ook zou inhouden dat er sprake zou zijn van wilsovereenstemming.
 
Naar het oordeel van de ombudsman had het, vanwege de complexe aard van de te sluiten overeenkomst, in de weg van de belastingdienst gelegen om het concern -met uitsluiting van de mogelijkheid tot nadere onderhandelingen- de gelegenheid te geven te reageren of uitleg te vragen over de betekenis van de (nieuw toegevoegde) bepalingen in de overeenkomst. De belastingdienst had hieraan eventueel een fatale termijn kunnen verbinden. Hetzelfde gold voor het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst.
 
Door dat niet te doen had de belastingdienst naar het oordeel van de ombudsman gehandeld in strijd met het redelijkheids vereiste. De klacht van het concern was daarom gegrond. De ombudsman gaf de minister van Financiën daarop een aanbeveling mee. Hij moest de belastingdienst ertoe bewegen dat het concern alsnog de gelegenheid krijgt om binnen een vooraf gestelde termijn de voor de wilsovereenstemming noodzakelijke duidelijkheid te verkrijgen over de betekenis en de gevolgen van de laatste vaststellingsovereenkomst.
 
Bron: Nationale ombudsman, 20-2-2009, nr. 2009/0034.

Horecamakelaars in heel Nederland

Berjan van de Weerd


Bekijk profiel

Koert van de Weerd


Bekijk profiel

Blijf op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen

Aanmelden nieuwsbrief